Copyright: Ypsilon
Datum: Sat Sep 13 19:14:43 2008

Dit artikel is afkomstig van één van de voormalige websites van Ypsilon (psychoseplein of schizofrenieplein).
De informatie wordt de komende tijd ingevoerd in de herziene website : Ypsilon.org
De pleinen worden niet meer geactualiseerd.

Te zwaar om te dragen

Loden Last – Bram Hulzebos en Bram Bakker

Verdriet is niet te vergelijken, maar maatschappelijk gezien is er veel verschil in preventie van de dood en in de opvang van de nabestaanden
In het verkeer vallen per dag drie doden. Dat is veel. Die doden hebben nabestaanden die openlijk om hen kunnen rouwen. Een kind kan in de klas zeggen dat zijn vader is verongelukt en wordt dan getroost door zijn leraren en klasgenootjes. Nabestaanden kunnen eventuele schuldigen voor het gerecht slepen en straf of schadevergoeding eisen. Familie en vrienden rouwen gezamenlijk. De overheid doet er zoveel mogelijk aan om het aantal verkeersdoden te verminderen. Wegen worden verbeterd, auto’s veiliger gemaakt, verkeersregels aangepast, snelheidsbeperkingen ingevoerd en overtreders gestraft.
Door zelfdoding vallen per dag vier slachtoffers. De overheid brengt geen beveiligingen aan bij het spoor, steekt veel te weinig geld in 24–uurs crisisopvang, wachtlijsten voor tijdelijke opvang en veel te weinig plaatsen voor chroniciteit. Aan preventie van zelfdoding wordt nauwelijks gedaan en nabestaanden staan veelal alleen.

Rond het be�indigen van het leven door eigen hand heerst grote stilte. Families die erdoor getroffen worden praten er onder elkaar over, maar zelden met vrienden en nauwelijks met de buren. Ze houden het stil. Maatschappelijk wordt zelfdoding doodgezwegen. Bram Hulzebos, journalist en schrijver van ‘Een te dunne huid’ (YN 6, 2003) over de zelfdoding van zijn vader en Bram Bakker, psychiater en schrijver van ‘Te gek om los te lopen’ (YN 4, 2003) over het reilen en zeilen in de GGZ, schreven samen een boek over deze stilte rond zelfdoding, voor nabestaanden een ‘loden last’.

“Het doel van dit boek is”, schrijven zij, “de mensen die met zelfmoord zijn geconfronteerd hun verhaal te laten doen, teneinde meer aandacht te krijgen voor een groot, maar zwaar onderschat maatschappelijk probleem dat zelfmoord heet”.

Een lichte irritatie bevangt mij over het woord ‘zelfmoord’. Het be�indigen van het leven door eigen hand bekijk ik genuanceerder. Moord veronderstelt opzet en is bedoeld om aan het leven van een ander een einde te maken. Zelfmoord van een terrorist is zelfs bedoeld om niet alleen de dood van zichzelf maar ook de dood van zoveel mogelijk mensen uit de omgeving te veroorzaken.

Iemand die een einde aan zijn leven maakt zal ik geen zelfmoordenaar noemen. Hij voelt zich ertoe gedreven omdat een ernstige ziekte het hem onmogelijk maakt het leven te leiden dat hij gezien zijn capaciteiten en ambities had kunnen nastreven. Door zijn daad kan hij schade aan anderen berokkenen maar dat is door de dader niet gewild. In zo’n geval praat ik liever over ‘zelfdoding’. De auteurs geven geen definities en gebruiken beiden benamingen door elkaar. Enerzijds heeft mij dat bij het lezen enigszins gestoord, anderzijds zette het mij ook aan het denken. Dat was ook een bedoeling van dit boek: aan het denken zetten, aansporen tot discussie.

Over beveiliging bijvoorbeeld. Er kunnen hoge hekken naast risicoplekken langs het spoor geplaatst worden zoals in Frankrijk langs het baanvak van de hogesnelheidstrein. Ook op de Eifeltoren zijn beveiligingen aangebracht. Bij ons niets langs het spoor en zelden iets aan hoge gebouwen.

Voor het eerst is een machinist – na vele jaren procederen – er eindelijk in geslaagd een afkoopsom te krijgen van NS voor gederfde loonkosten. De gevolgen van negen zelfdodingen voor zijn trein hadden hem definitief arbeidsongeschikt gemaakt. Door de dader ongewild, is zijn leven en dat van zijn gezin definitief veranderd. Onlangs hoorde ik dat het voor de conducteurs nog veel erger is omdat zij de taak hebben langs de rails de overblijfselen op te sporen. Het spijt me voor nabestaanden die hierdoor geschokt raken maar ik kan niet anders beschrijven dan wat conducteurs ervaren. Zo gruwelijk is dat. Persoonlijk lijkt het mij zinvol om daar waar dat kan su�cidale mensen in gesprek te laten komen met nabestaanden. En met mensen van de NS die door zelfdodingen arbeidsongeschikt zijn geraakt. Misschien werkt het preventief als pati�nten zicht krijgen op de mogelijke gevolgen van hun daad, of ze doen het zo dat zij anderen geen schade toebrengen. Dan is de trein niet meer dat gele monster dat een einde aan een ondragelijk leven kan maken, maar dan is die een man met een familie geworden, van vlees en bloed, zoals zijzelf.

Voor pati�nten die met plannen rondlopen zou veel meer gerichte preventie moeten komen. Maar dat kost, net als spoorbeveiliging, geld. Verkeersveiligheid levert geld op. Is dat het verschil? Geld?
Preventie van su�cide en goede behandeling van nabestaanden is echter niet alleen een kwestie van ethiek maar kan net zo goed geld opleveren, al was het maar door vermindering van arbeidsongeschiktheid van naast betrokken familieleden en het indirect betrokken treinpersoneel en hun families.

Uit de verhalen komt naar voren dat er voor de pati�nten veel zou verbeteren als hun problemen, veroorzaakt door een leven met zeer beperkte toekomstmogelijkheden, onderkend en erkend werden. Vooral structurele begeleiding bij het vinden en houden van betaald werk, een studie of zinvolle dagbesteding kan veel narigheid voorkomen. Meer hulp en begeleiding bij de algemene levensproblematiek is strikt noodzakelijk.

Hard en dom

Op de verhalen van de nabestaanden die hier aan het woord gelaten zijn valt niets af te dingen. Eerlijk geschreven vanuit de eigen boosheid, vanuit het eigen verdriet. Tot mijn verbazing met weinig agressie jegens de hulpverlening, hoe schrijnend ook de bejegening is geweest. De verhalen zijn pleidooien voor verbetering van de hulpverlening aan alle betrokkenen.

Mijn verstand staat stil als ik hier lees, maar ook van Ypsilonners hoor, hoe hard en dom sommige hulpverleners omgaan met familieleden van pati�nten. De bezorgdheid van familieleden wordt niet alleen niet op prijs gesteld, maar ook niet serieus genomen. Er is te weinig samenwerking tussen psychiater en familie met als doel de redding van het leven, het welzijn van de pati�nt. Er is nauwelijks of geen erkenning van gemaakte fouten, geen hulp bij rouwverwerking, geen troost. Nog steeds worden familieleden en pati�nten tegen elkaar uitgespeeld. En als het misgegaan is, dan kan de familie de vuilniszak meenemen met de bebloede kleding van de overledene!

Maar het omgekeerde komt ook voor: op initiatief van de behandelaars en hulpverleners na de dood van hun pati�nt een paar eerlijke gesprekken met de familie. Dat is geen algemeen beleid maar sterk afhankelijk van de persoon van de hulpverlener. Geen beleid maar een menselijk gebaar biedt troost.

Het boek is niet door iedereen met gejuich ontvangen. Sommige hulpverleners voelden zich aangesproken en gingen in de aanval. Meer op de persoon van Bakker dan op de inhoud van het boek. In de Volkskrant schrijft de Amsterdamse psychiater Flip Jan van Oenen, dat Bakker overdrijft in zijn aanklacht, want “intensieve zorg aan huis wordt al lang geleverd door een fijnmazig net van 24–uurs crisisdiensten”. Dit netwerk is er echter pas sinds een half jaar, ontstaan na grote maatschappelijke en politieke druk en niet te vergeten de onvermoeide inzet van wijlen Kees Zwarthoed van Ypsilon, na een periode van 15 jaar geruzie tussen de verantwoordelijke instellingen! Bij andere instellingen bestaat dat netwerk na vijven en in de weekends vooral uit antwoordapparaten! Sommige met de mededeling: ”al onze medewerkers zijn in gesprek”. Verder meent Van Oenen dat klachten over het gebrek aan preventief ingrijpen door de hulpverlening de rouwverwerking voor de nabestaanden er niet gemakkelijker op maken. Alsof de meer gebruikelijke procedure binnen de GGZ van afpoeieren en het ontkennen van eigen falen en fouten wel helpt, denk ik dan. Van Oenen heeft wel gelijk als hij zegt dat de psychiater geen almachtige verlosser is. Dat hoeft hij ook niet te zijn. Als hij maar bereid zou zijn om met gezond verstand te werk te gaan. En geen onzinnige verklaringen zoals een non–su�cide verklaring van pati�nten te verlangen alvorens ze in behandeling te nemen, zoals in ‘Loden Last’ staat beschreven. Wat te doen als dat nou net je probleem is? Ook zou de psychiater zijn mond kunnen houden tegen de pati�nt als diens moeder hem waarschuwt dat dochterlief erg su�cidaal is. De reactie: “Wij hebben hier geen geheimpjes.” is een vorm van afpoeieren en bijzonder hypocriet. Een relatie waarin de een afhankelijk is van de ander, de een alles moet vertellen over wat hem beroert en de ander stijf zijn mond houdt over zijn zieleroerselen staat bol van de geheimen. Statussen die niet ingezien mogen worden door belanghebbenden bevatten geheimen.

Ook de recensenten van het tijdschrift PSY, een uitgave gesponsord door de GGZ is kritisch, op de man gericht. Daar wordt hen aangewreven soms “door te slaan in hun strijd tegen al die, in hun ogen, lapzwansen en non–valeurs in de psychiatrie”. Die conclusie is voor rekening van de recensent van PSY, want ik heb dat niet in het boek kunnen vinden. Integendeel, ik vind de kritiek op de GGZ in dit boek een stuk milder dan in de beide eerstelingen van de auteurs. Positief daarentegen schrijft schrijver Joost Zwagerman in de NRC: “Het is beter om te veel mensen te redden dan er te veel te laten gaan”. Hij houdt een vurig pleidooi voor de standpunten van de beide auteurs en werd bijzonder getroffen door het uit de beschrijvingen naar voren komende “fenomenale isolement waar de nabestaanden in terecht komen”.

Het boek bevat vele belangrijke conclusies en aanbevelingen. Jammer genoeg verspreid en niet achterin nog eens samengevat. Ieder, ook wie die niet met zelfdoding te maken heeft, zou dit boek zorgvuldig moeten lezen. Al was het maar voor beter begrip van de situatie waarin nabestaanden verkeren. Eigenlijk moeten er twee boeken komen: Een over preventie en het andere over opvang van nabestaanden. Het laatste woord over zelfdoding is nog niet geschreven.

‘Loden Last’ en de vorige boeken van beide schrijvers kunnen als bouwstenen dienen. Het is van belang dat twee mensen, een journalist en een psychiater, het aangedurfd hebben om de discussie los te maken over zelfdoding. Uit de verhalen van de nabestaanden valt veel te leren over verbetering van de bejegening zodat zij deze last niet meer alleen hoeven dragen.

Liesbeth Gerris – egerris@nieuwsbank.nl

‘Loden Last’, Bram Hulzebos en Bram Bakker, uitgeverij Contact, ISBN 90 254 18724, prijs Euro 15.90

Dit artikel is afkomstig van één van de voormalige websites van Ypsilon (psychoseplein of schizofrenieplein).
De informatie wordt de komende tijd ingevoerd in de herziene website : Ypsilon.org
De pleinen worden niet meer geactualiseerd.